Deze overdekte brug vormde de doorsteek van en naar ‘het ontvangstgebouw’, waar personeel, materiaal én kolenwagens werden geladen en gelost.
De mijnwerkers gingen vanuit de bezettingszaal (in het badzaalgebouw) via deze overdekte loopbrug naar het ontvangstgebouw, rond de schachtbok.
Omgekeerd: deze die van hun werk in de ondergrond kwamen, keerden via dezelfde loopbrug – maar een verdieping lager – terug naar de lampenzaal om hun lamp af te geven en te gaan douchen.
Wist je dat:
Elke mijnwerker kreeg bij het begin van zijn shift één lamp en moest die na het werk weer inleveren. Zo wist men aan het einde van de dag wie nog ondergronds zat. Als een lamp niet werd teruggebracht, klonk meteen alarm: er zat waarschijnlijk nog iemand in de mijn.
Voordat oliepitlampen populair werden, waren kaarsen de belangrijkste bron van verlichting in de mijn. De kaarsen werden in metalen kaarsenhouders met punten gezet en werden ofwel in het framehout gehamerd of op wankele wijze aan een mijnwerkershoed bevestigd.
En tegenwoordig…?
De ruimtes van de loopbrug zijn tegenwoordig herbestemd tot kantoorruimte.


