Bij het bepalen van de compensatie voor het verlies van bomen wordt rekening gehouden met het boomkroonvolume. Niet elke boomsoort komt hiervoor in aanmerking. Fruitbomen, knotbomen en leibomen worden uitgesloten als compensatie.
De soorten die wel in aanmerking komen, worden ingedeeld in drie boomgroottecategorieën. Voor het buitengebied geldt een specifieke lijst van toegelaten soorten. Voor de bebouwde kom en het verstedelijkt gebied wordt deze lijst aangevuld met bijkomende soorten, afgestemd op de stedelijke omgeving.
Buitengebied
- Boomgrootte 1: Acer pseudoplatanus, Alnus glutinosa, Betula pendula, Fagus sylvatica, Fraxinus excelsior, Quercus petraea, Quercus robur, Salix alba, Tilia cordata, Tilia platyphyllos en Ulmus-soorten.
- Boomgrootte 2: Acer campestre, Carpinus betulus, Ilex aquifolium, Salix fragilis en Sorbus aucuparia.
- Boomgrootte 3: Corylus avellana en Crataegus laevigata.
Bijkomende soorten voor de bebouwde kom en het verstedelijkt gebied
Boven op de soorten die voor het buitengebied in aanmerking komen, kunnen in de bebouwde kom en het verstedelijkt gebied ook de volgende soorten worden gebruikt:
- Boomgrootte 1: Acer platanoides, Acer rubrum, Acer saccharinum, Aesculus hippocastanum, Alnus cordata, Alnus incana, Castanea sativa, Catalpa bignonioides, Corylus colurna, Fraxinus americana, Liquidambar styraciflua, Ostrya carpinifolia, Platanus × hispanica en Quercus phellos.
- Boomgrootte 2: Acer griseum, Acer palmatum, Crataegus × media ‘Paul’s Scarlet’, Nothofagus antarctica en Parrotia persica.
- Boomgrootte 3: Cornus mas.
Voorwaarden voor de compensatieaanplant
De compensatieaanplant dient voldoende ruimte en groeimogelijkheden te krijgen om zich vrij te kunnen ontwikkelen tot bomen van de beoogde grootte. De bomen moeten daarbij een stamomtrek van minstens 50 cm kunnen bereiken, gemeten op 1 meter boven het maaiveld.
Indien één of beide aangeplante bomen binnen vier jaar na aanplant afsterven, dient de afgestorven boom of dienen de afgestorven bomen te worden vervangen tijdens het eerstvolgende plantseizoen.
De aangeplante bomen maken integraal deel uit van de vergunde toestand en dienen duurzaam behouden te blijven. Dit met het oog op het herstel van het groenvolume en de landschappelijke integratie van het perceel.
Deze indeling en voorwaarden bieden een kader om bij boomcompensatie niet alleen rekening te houden met het aantal bomen, maar ook met hun potentiële bijdrage aan het boomkroonvolume op lange termijn. De keuze van de boomsoorten en de inrichting van de groeiplaats moeten daarom gericht zijn op een duurzame ontwikkeling van volwaardige boomkronen.