Behoud van bomen en voorwaarden inzake boombescherming

1. Behoud van bomen

Wanneer in de omgevingsvergunning wordt opgelegd dat een boom behouden moet blijven, geldt de bescherming voor de volledige boom, met inbegrip van het wortelgestel, de stam, de takken en de kroon. Tijdens de uitvoering van de werken moeten alle noodzakelijke maatregelen worden genomen om schade aan de boom, de wortelzone en de groeiplaats te voorkomen.

Hiertoe wordt vóór de aanvang van de werkzaamheden een Totale Boombeschermingszone (TBBZ) ingericht. Deze zone moet gedurende de volledige duur van de werkzaamheden beschermd blijven.

De te behouden bomen maken integraal deel uit van de vergunde toestand en dienen duurzaam behouden te blijven, met het oog op het behoud en herstel van het groenvolume en de landschappelijke integratie van het perceel.

2. Totale Boombeschermingszone (TBBZ)

Een Totale Boombeschermingszone (TBBZ) is een fysiek afgebakende zone rond één of meerdere bomen, die vóór de aanvang van de werkzaamheden wordt ingericht en behouden blijft tot alle werken volledig zijn beëindigd.

De zone wordt duidelijk afgebakend met een stevige, duurzame en voldoende verankerde omheining. Ze dient om mechanische, chemische en hydrologische schade aan de bomen en hun wortelzone te voorkomen.

De TBBZ omvat zowel de bovengrondse als de ondergrondse delen die noodzakelijk zijn voor het behoud, de stabiliteit en de duurzame ontwikkeling van de boom.

3. Afmetingen en bepaling van de TBBZ

Voor een afzonderlijke boom wordt de straal van de TBBZ bepaald op basis van de stamdiameter, gemeten op 1 meter boven het maaiveld (DBH), volgens onderstaande formule:

Straal TBBZ (cm) = 12 × stamdiameter (cm)

Hierbij gelden de volgende bepalingen:

  • De straal wordt horizontaal uitgezet vanaf de voet van de boom.
  • De straal bedraagt minimaal 2 meter en maximaal 15 meter, ongeacht de uitkomst van de formule.
  • Bij boomgroepen of bosranden kan een aangepaste, collectieve TBBZ worden vastgesteld door een boomdeskundige, rekening houdend met de omvang van de wortelzones en de onderlinge samenhang van de bomen.

De afbakening van de TBBZ moet vóór de start van de werken gebeuren en mag tijdens de werkzaamheden niet worden verplaatst of verwijderd, tenzij hiervoor vooraf uitdrukkelijk toestemming is verleend en passende beschermingsmaatregelen zijn getroffen.

4. Verboden handelingen binnen de TBBZ

Het betreden van de TBBZ en het uitvoeren van werkzaamheden binnen deze zone zijn verboden, tenzij hiervoor vooraf uitdrukkelijk toestemming is verleend en de noodzakelijke beschermingsmaatregelen zijn bepaald en uitgevoerd.

Binnen de TBBZ zijn in ieder geval de volgende handelingen verboden.

4.1. Verstoring van de bodem, waterhuishouding en zuurstofvoorziening

  • Het onderbreken, beschadigen of wijzigen van drainage- en afwateringssystemen.
  • Het onder water zetten van de bodem of het lozen van verontreinigd of voor de boom schadelijk bemalingswater.
  • Het opslaan of stockeren van materialen, bouwstoffen, goederen of grond.
  • Het plaatsen van constructies, bouwketen, containers, machines of vergelijkbare objecten.
  • Het afdekken van de bodem met doeken, folies of andere materialen die de infiltratie van water en de uitwisseling van zuurstof beperken.
  • Het gebruik of de passage van voertuigen, machines en zwaar materieel.
  • Het aanleggen van grond-, slib- of materiaaldepots.
  • Het uitvoeren van graafwerken, grondverzet of uitgravingen zonder voorafgaand goedgekeurde beschermingsmaatregelen.
  • Het tijdelijk of permanent wijzigen van het bestaande maaiveldniveau.
  • Het verdichten, afgraven of ophogen van de bodem.

4.2. Chemische bodemverstoring en verontreiniging

  • Het lozen, verwerken of opslaan van chemische stoffen en producten die schadelijk kunnen zijn voor de boom of de bodem, waaronder olie, oplosmiddelen, cement, gips, verf, spoelwater en zandcement.
  • Het reinigen van materialen, gereedschappen of machines.
  • Het storten of achterlaten van afval, puin, cementresten of andere verontreinigende materialen.

4.3. Beschadiging van de stam, takken, kroon en wortels

  • Het bevestigen van kabels, touwen, verlichting, borden, leidingen of andere voorwerpen aan de stam, takken of wortelaanzetten.
  • Het beschadigen, afbreken of afzagen van takken of wortels zonder voorafgaande toestemming.
  • Het uitvoeren van snoei- of wortelwerkzaamheden door personen zonder de vereiste deskundigheid.
  • Het maken van open vuur of het gebruiken van hittebronnen in of nabij de TBBZ wanneer hierdoor schade aan de boom kan ontstaan.

Snoeiwerkzaamheden aan takken of wortels met een diameter groter dan 5 cm dienen te worden uitgevoerd door een gekwalificeerde boomverzorger met een ETW- of ETT-certificering, of een gelijkwaardig aantoonbare kwalificatie. Voor dergelijke ingrepen is voorafgaande toestemming vereist.

5. Graafwerken en de aanleg van kabels en leidingen

Graafwerken in de nabijheid van te behouden bomen moeten zo worden uitgevoerd dat beschadiging van het wortelgestel en verstoring van de groeiplaats maximaal worden vermeden.

Voor de aanleg van kabels en leidingen moet worden gehandeld overeenkomstig het toepasselijke Standaardbestek 250 (SB 250) en de relevante bepalingen inzake boombescherming.

Ter hoogte van bomen mag een leiding niet zonder meer in een open sleuf worden aangelegd wanneer dit tot beschadiging van de wortels of verstoring van de groeiplaats kan leiden. In dat geval moet een alternatieve aanlegmethode worden toegepast, zoals een onderboring of een andere techniek die het wortelgestel maximaal ontziet.

Indien de voorgeschreven aanlegmethode een lokale ingraving of holle ruimte vereist, moet deze zorgvuldig worden uitgevoerd. Daarbij gelden de volgende voorwaarden:

  • De uitvoering moet wortelbeschadiging maximaal vermijden.
  • De uitgegraven ruimte moet zorgvuldig worden aangevuld met geschikte grond, bij voorkeur afkomstig uit de directe omgeving, voor zover deze daarvoor geschikt is.
  • De oorspronkelijke bodemstructuur moet zoveel mogelijk behouden blijven.
  • De aanvulling moet voorzichtig en gefaseerd gebeuren, zonder schadelijke verdichting of verstikking van de wortels te veroorzaken.

De concrete uitvoeringsmethode moet worden afgestemd op de plaatselijke omstandigheden en de aanwezige wortels. Bij twijfel wordt voorafgaand advies ingewonnen bij een boomdeskundige.

6. Basisverplichtingen inzake boombescherming

Voor de aanvang van de werkzaamheden moeten minstens de volgende maatregelen worden uitgevoerd:

  • Het plaatsen van een tijdelijke, stevige en voldoende verankerde omheining op de grens van de TBBZ.
  • Het duidelijk markeren van de te beschermen bomen, bijvoorbeeld met kleurcodes of informatieborden op het hekwerk.
  • Het beschermen van de bodem tegen verdichting wanneer werkzaamheden in de nabijheid van de TBBZ onvermijdelijk zijn en hiervoor vooraf toestemming is verleend. Dit kan onder meer door het gebruik van rijplaten of dragende beschermingsconstructies.
  • Het uitvoeren van boomgerelateerde werkzaamheden door personen met de vereiste deskundigheid en kwalificaties.
  • Het behouden van de beschermingsvoorzieningen tot alle werkzaamheden volledig zijn beëindigd.

Voor praktische richtlijnen en voorbeelden van boombescherming kan onder meer de informatie van de Vereniging voor Openbaar Groen (VVOG) worden geraadpleegd.

7. Aanvullende beschermingsmaatregelen

Wanneer de TBBZ niet volledig kan worden afgesloten of wanneer het tijdelijk verwijderen of verplaatsen van delen van de omheining noodzakelijk is, moeten vooraf aanvullende beschermingsmaatregelen worden bepaald. Deze maatregelen moeten in overeenstemming zijn met het toepasselijke Standaardbestek 250 (SB 250) of met gelijkwaardige, erkende richtlijnen voor boombescherming.

Afhankelijk van de situatie kunnen onder meer de volgende maatregelen worden opgelegd:

  • Bescherming van het wortelgestel door middel van wortelbruggen, wortelschermen of beschermende substraatlagen.
  • Plaatsing van antiverdampingsschermen of schaduwdoeken.
  • Installatie van grondwaterpeilbuizen voor de monitoring van het grondwaterpeil.
  • Bescherming van stam en takken tegen mechanische beschadiging.
  • Bescherming tegen zonnebrand wanneer bomen door werkzaamheden plotseling aan directe zonnestraling worden blootgesteld.
  • Bewatering tijdens droge periodes, afgestemd op de behoeften van de boom en de plaatselijke omstandigheden.
  • Toepassing van geschikte, biologisch actieve bodemlagen ter ondersteuning van het herstel van de groeiplaats, indien dit technisch aangewezen is.
  • Aanleg van kabels en leidingen door middel van onderboringen of andere technieken die het wortelgestel maximaal ontzien.
  • Beperking van de toegestane rijhoogte onder de boomkroon door middel van fysieke hoogtebegrenzingen wanneer passage onder de kroon onvermijdelijk is.

De keuze van de aanvullende maatregelen moet worden afgestemd op de boomsoort, de conditie en stabiliteit van de boom, de omvang van de werkzaamheden en de plaatselijke bodem- en waterhuishoudkundige omstandigheden.

8. Duurzaam behoud

De bescherming van de bomen en hun groeiplaats moet gedurende de volledige uitvoering van de vergunde werkzaamheden worden gewaarborgd. Na afloop van de werken moeten de bomen en hun groeiplaatsen in een toestand worden achtergelaten die hun verdere groei en duurzaam behoud mogelijk maakt.

De te behouden bomen blijven integraal deel uitmaken van de vergunde toestand en mogen niet worden verwijderd, beschadigd of in hun duurzame ontwikkeling worden gehinderd. Dit met het oog op het behoud van het bestaande groenvolume, de ecologische functie van de bomen en de landschappelijke integratie van het perceel.