Beringen, meer dan mijn stad

Lettertype vergroten?
aA aA aA aA aA
Zoek
Openingsuren
Contactinfo
OCMW
VorigeVolgendePrintenVerstuur linkReageer

De geschiedenis van het OCMW

Tot en met de 11e eeuw

De zorg voor minderbedeelden, behoeftigen, zieken en voor iedereen die geen menswaardig bestaan kan opbouwen, is niet eigen aan de 21e eeuw. Initiatieven die aan de armsten hulp verlenen, ontstonden reeds veel vroeger.
Tot en met de 11e eeuw was de armenzorg het monopolie van de kerk. De rijken gaven geld aan kerkelijke instellingen en kregen zo de zekerheid sneller in de hemel te komen. De armen werden de bemiddelaars tussen wereld en God. Geven aan de armen was geven aan God. Abdijen en priesters gaven eten en onderdak aan de armen.

12e eeuw - 13e eeuw

In de 12de en 13de eeuw trokken meer en meer boeren van het platteland naar de steden omdat ze niet meer in hun levensonderhoud konden voorzien. Toch vonden niet alle nieuwkomers werk. Het aantal armen concentreerde zich in de steden en ze konden lang niet altijd rekenen op begrip; ze werden eerder aanzien als een gevaar.

 

Om epidemieën en sociale onrust te voorkomen, namen rijke burgers de armenzorg in handen. Ze richtten hospitalen, passantenhuizen (gratis nachtverblijf) en godshuizen (bejaardentehuizen) op. Er kwamen ook instellingen tot stand die zich met de algemene bedeling aan armen bezig hielden; ze werden "Tafels van de heilige geest" genoemd. De bedoeling was vooral controle uit te oefenen op de armen met het oog op de sociale vrede.


In kleine gemeenten bleef het meestal bij één enkele Tafel, die haar activiteit over het gehele grondgebied uitstrekte, maar in grote en middelgrote steden (zoals in Antwerpen) verschenen er naderhand verschillende Tafels, die per parochie georganiseerd waren. Het waren burgerlijke instellingen (het bestuur was in handen van leken), maar de pastoor had wel een grote invloed op de werking als zeer invloedrijk lid van de plaatselijke gemeenschap.
Aan de armen van hun parochie bedeelden de Tafels op geregelde tijdstippen brood, kleding, brandstof, bier en soms ook geld.

15de eeuw - 18de eeuw

In 1458 werden ook nieuwe instellingen opgericht om de identificatie, selectie en controle van de armen uit te voeren: "Kamers van de huisarmen". Alleen de plaatselijke bevolking kon hierop beroep doen. Deze kamers werden bestuurd door 4 aalmoezeniers die de giften verdeelden en onder andere een theater hadden waarvan de opbrengst naar de armen ging. De aalmoezeniers werden gekozen uit eerlijke, rijke en notabele burgers van de stad.
Qua inkomsten was de armenzorg voor een groot deel afhankelijk van giften. Op vele plaatsen bevonden zich collectebussen en welgestelde burgers schonken tijdens hun leven of bij testament belangrijke sommen aan de armen.
De aartshertogen Albrecht en Isabella vaardigden in 1617 een ordonnantie uit die toeliet belastingen te heffen ten behoeve van de armenzorg.
Het principe dat de armenzorg essentieel een taak van de overheid was, had definitief ingang gevonden. Men was niet langer afhankelijk van toevallige particuliere initiatieven.
Bij de Franse Revolutie werden de kerkelijke goederen genationaliseerd en kreeg de armenzorg een "burgerlijk" in plaats van een "religieus" karakter. In iedere gemeente worden nu 2 instellingen tot stand gebracht: een "Bureel van Weldadigheid" voor de ondersteuning van de thuiswonende armen en een "Commissie van Burgerlijke Godshuizen" voor het beheer van de verzorgingsinstellingen.

19de eeuw

Op het einde van de 19de eeuw was er een massale verarming. Zo klopte bijvoorbeeld in 1849 39% van de Antwerpse bevolking aan bij het Bureel van Weldadigheid. De wantoestanden gaven echter pas in 1895 aanleiding tot een initiatief van de centrale overheid.


Een Koninklijke Commissie voor de Onderstand diende de bestaande toestand te onderzoeken en voorstellen te formuleren om hieraan wat te veranderen. De bevindingen van deze Commissie leidden in 1920 tot een eerste wetsvoorstel. Op 10 maart 1925 is de eerste wet op de onderstand een feit. Een Commissie voor Openbare Onderstand (C.O.O.) werd opgericht in elke gemeente met als doel:
* nood van de behoeftigen lenigen langs financiële bijstand;
* met preventieve maatregelen behoeftigheid tegengaan;
* noodzakelijke medische verzorging verzekeren, zorg over verlaten kinderen en wezen.


De Commissie van Openbare Onderstand, ingesteld door de wet van 10 maart 1925, verving de Burelen van Weldadigheid en het bestuur der Burgerlijke Godshuizen. De Commissie van Openbare Onderstand (COO.) bleef ruim 50 jaar bestaan.
Door de wet van 8 juli 1976 (B.S. 5 juli 1976) werden de COO's vervangen door de Openbare Centra voor Maatschappelijk Welzijn, die in elke gemeente werden opgericht.
Meerdere redenen vormden de aanleiding tot het afschaffen van de gemeentelijke COO's en het oprichten van een nieuwe, meer aangepaste instelling. Zo vertoonde de hulpverlening die de COO's boden, per gemeente onderling, sterke verschillen. Ook de notie onderstand kreeg met de tijd een ongunstige bijklank; de klemtoon van de hulpverlening lag al van bij de aanvang in de materiële en financiële sfeer.
Door de oprichting van de OCMW's kwam er een einde aan het openbaar onderstandwezen in ons land. Het OCMW werd belast met de maatschappelijke dienstverlening aan ALLE inwoners.

2003

In het jaar 2002 vierden we 25 jaar OCMW en stellen we vast dat het OCMW meer en meer een spilfunctie vervult in het lokale welzijnsbeleid.
De OCMW's hebben gedurende de afgelopen 25 jaar tal van diensten en instellingen uitgebouwd en ook in de toekomst zullen er zich nieuwe uitdagingen aandienen.
Het lokale bestuursniveau (gemeenten en OCMW's) speelt traditioneel een belangrijke rol in het armoedebeleid, vroeger vooral inzake 'armenzorg', meer recent ook inzake armoedebestrijding. Zoals al vermeld kregen de OCMW's (bij hun omvorming van COO's tot OCMW's in 1976) de (ruime) opdracht om eenieder in de mogelijkheid te stellen een leven te leiden dat beantwoordt aan de menselijke waardigheid. Vanuit deze opdracht zijn de OCMW's - naast initiatieven inzake gezondheids- en bejaardenzorg en inzake algemeen welzijnswerk - actief op het terrein van de hulpverlening de armste bevolkingsgroepen en inzake armoedebestrijding. Dit kan blijken uit de activiteiten die de OCMW's ontwikkelen: financiële steunverlening (in uitvoering van de bestaansminimumregeling en ter aanvulling hiervan); sociale tewerkstelling, opleiding, en arbeidsbemiddeling; rechtshulp; budgetbegeleiding; alfabetiseringsprojecten. Vanuit het Bijzonder Fonds voor Maatschappelijk Welzijn (een van de belangrijke financieringsbronnen van de OCMW's, vanaf 1996 geïntegreerd in het nieuwe Sociaal Impulsfonds) werd overigens sinds 1984 een bedrag voorzien dat door de OCMW's specifiek moet worden aangewend voor projecten ten behoeve van kansarmen.
Anno 2003 wordt er door de OCMW's en de gemeenten gewerkt aan de uitbouw van een sociaal huis.